Werk en werkplek
Work and workplace
1
Wat is jouw beroep?
What do you do for a living?
2
Ik werk als marketingmanager bij een groot bedrijf.
I work as a marketing manager for a large firm.
3
Ik schrijf veel e-mails op kantoor.
I write a lot of emails in the office.
4
Mijn collega's zijn heel vriendelijk en behulpzaam.
My colleagues are very friendly and helpful.
5
Mijn werktijden zijn van negen tot vijf.
My working hours are from nine to five.
6
Ik heb elke woensdag een vergadering.
I have a meeting every Wednesday.
7
Ik ben op zoek naar een nieuwe baan.
I'm looking for a new job.
8
Ik heb gisteren mijn cv gestuurd.
I sent my resume yesterday.
9
Ik heb volgende week een sollicitatiegesprek.
I have a job interview next week.
10
Moet ik een uniform dragen op kantoor?
Do I have to wear a uniform in the office?
11
Mijn baas is erg streng maar eerlijk.
My boss is very strict but fair.
12
Ik werk soms vanuit huis.
I sometimes work from home.
13
Ik reis vaak voor mijn werk.
I often travel for work.
14
Ik ben tevreden met mijn baan.
I'm happy with my job.
15
Ik heb vandaag te veel werk te doen.
I have too much work to do today.
16
Zullen we tijdens de pauze samen lunchen?
Shall we have lunch together during the break?
17
Zij werkt als accountant bij een bank.
She works as an accountant at a bank.
18
Mijn computer werkt niet.
My computer is not working.
19
Ik hou er niet van om over te werken.
I do not like working overtime.
20
Dit project is erg belangrijk.
This project is very important.
21
Ik heb vorige maand promotie gekregen.
I got a promotion last month.
22
Hij is in gesprek met klanten.
He is on the phone with clients.
23
Ik ben vroeg op kantoor aangekomen.
I arrived at the office early.
24
Het salaris is vrij goed.
The salary is quite good.
25
Na mijn pensioen wil ik reizen.
I want to travel after retirement.