Uiterlijk en persoonlijkheid
Appearance and personality
1
Ze heeft lang bruin haar.
She has long brown hair.
2
Hij is lang en draagt een bril.
He is tall and wears glasses.
3
Mijn jongere broer is erg extravert en grappig.
My younger brother is very outgoing and funny.
4
Ze lijkt erg op haar moeder.
She looks a lot like her mother.
5
Hij is aardig maar een beetje verlegen.
He is kind but a bit shy.
6
Ze is altijd vrolijk en positief.
She is always cheerful and positive.
7
Mijn vriend is slim en studeert hard.
My friend is smart and studious.
8
Hij heeft een baard.
He has a beard.
9
Ze draagt vandaag een mooie blauwe jurk.
She is wearing a lovely blue dress today.
10
Het zijn erg beleefde kinderen.
They are very polite children.
11
Zijn gezicht wordt rood als hij boos is.
His face turns red when he is angry.
12
Zij is de populairste van de school.
She is the most popular in school.
13
Zijn persoonlijkheid lijkt op die van zijn vader.
His personality is similar to his father's.
14
Ze heeft hele grote en mooie ogen.
She has very big and beautiful eyes.
15
Hij is een eerlijk persoon, dus iedereen vertrouwt hem.
He is an honest person, so everyone trusts him.
16
Ze is iets kleiner dan ik.
She is a bit shorter than me.
17
Hij draagt altijd een pak naar zijn werk.
He always wears a suit to work.
18
Mijn collega is erg hardwerkend.
My colleague is very hard-working.
19
Ze heeft een rustig karakter en houdt van boeken lezen.
She has a quiet personality and likes reading books.
20
Ik herkende hem niet omdat hij een hoed droeg.
I didn't recognise him because he was wearing a hat.
21
Ze heeft kort krullend haar.
She has short curly hair.
22
Hij houdt echt van grappen vertellen.
He really loves telling jokes.
23
Ze is vriendelijk tegen iedereen.
She is friendly to everyone.
24
Hij is een erg dappere politieagent.
He is a very brave police officer.
25
Jij bent erg geduldig.
You are very patient.