1
Wat ik had willen zeggen was dat ik van je houd.
2
Wat ik had willen zeggen was dat het me spijt.
3
Wat ik had willen zeggen was dat het een goed idee is.
4
Wat ik had willen zeggen was dat ik moe ben.
5
Wat ik had willen zeggen was dat ik hulp nodig heb.
1
Wat ik had willen zeggen was dat we geen tijd hebben om af te ronden.
2
Wat ik had willen zeggen was dat de vergadering morgen geannuleerd is.
3
Wat ik had willen zeggen was dat u uitstekend werk heeft geleverd.
4
Wat ik had willen zeggen was dat de prijs onder voorwaarden onderhandelbaar is.
5
Wat ik had willen zeggen was dat veiligheid onze absolute prioriteit is.
1
Wat ik had willen zeggen was dat de sociaaleconomische impact wordt onderschat.
2
Wat ik had willen zeggen was dat we kwalitatieve groei moeten verkiezen.
3
Wat ik had willen zeggen was dat de synergie tussen de afdelingen onvoldoende is.
4
Wat ik had willen zeggen was dat de continuïteit van het model op het spel staat.
5
Wat ik had willen zeggen was dat innovatie de kern van onze strategie moet zijn.