1
Dat doet me denken aan een tijd toen ik veel vrije tijd had.
2
Dat doet me denken aan een tijd toen we vaak samen aten.
3
Dat doet me denken aan een tijd toen kinderen buiten speelden.
4
Dat doet me denken aan een tijd toen ik vaak op reis ging.
5
Dat doet me denken aan een tijd toen alles eenvoudiger was.
1
Dat doet me denken aan een tijd toen men zich niet zoveel zorgen maakte over de mening van anderen.
2
Dat doet me denken aan een tijd toen de lokale industrie nog erg bloeiend was.
3
Dat doet me denken aan een tijd toen het nachtleven in deze wijk bruisend was.
4
Dat doet me denken aan een tijd toen optimisme heerste ondanks de moeilijkheden.
5
Dat doet me denken aan een tijd toen elke technologische ontdekking magisch leek.
1
Dat doet me denken aan een tijd toen organische solidariteit de overhand had op blind individualisme.
2
Dat doet me denken aan een tijd toen traagheid nog als een deugd werd beschouwd.
3
Dat doet me denken aan een tijd toen ideologische scheidslijnen veel scherper waren dan vandaag.
4
Dat doet me denken aan een tijd toen men zich nog kon onderdompelen in absolute eenzaamheid.
5
Dat doet me denken aan een tijd toen de zoektocht naar betekenis belangrijker was dan het najagen van onmiddellijk gewin.