1
De sfeer was erg rustig aan het meer.
2
De sfeer was erg vrolijk tijdens het feest.
3
De sfeer was erg vreemd in dat huis.
4
De sfeer was erg koud die ochtend.
5
De sfeer was erg levendig op de markt.
1
De sfeer was erg gespannen tijdens het sollicitatiegesprek.
2
De sfeer was erg gezellig aan tafel bij dat grote familiediner.
3
De sfeer was erg zwaar door de lange stilte.
4
De sfeer was erg elektrisch vlak voor het begin van het concert.
5
De sfeer was erg mysterieus in de mistige straten van de stad.
1
De sfeer was erg gedempte, alsof de tijd plotseling had stilgestaan.
2
De sfeer was erg vergiftigd binnen de afdeling na de aankondiging van de bezuinigingen.
3
De sfeer was erg droomachtig en dompelde ons onder in een surrealistische wereld.
4
De sfeer was erg plechtig tijdens de uitreiking van de nationale onderscheidingen.
5
De sfeer was erg beangstigend door de aanhoudende geopolitieke onzekerheid.